Naar de inhoud
Helderverlicht.nl

← Blog

De geest geven

· Klaas Zondervan · Column in De Notarisklerk

De notarisklerk. Het woord klerk is afkomstig van het Latijnse ‘clericus’, dat ‘geestelijke’ betekent. Inspireren, het vestigen van de geest in de medemens.

Hoewel de notarisklerk een pluriforme professional is, ligt de focus door mijn subjectieve bril geschouwd toch altijd op de clerus (κλῆρος) – niet te verwarren met de infectieziekte cholera – als drijvende component van het corpus. Erfrecht als samenvatting van een mensenleven.

Curriculo van een klerk

Volgens de overlevering werd Rome gesticht op 21 april van het jaar 753 vóór de gewone jaartelling door Romulus en Remus, een tweeling. Een broederstrijd over wie koning, rex, zou worden over het imperium culmineerde in de dood van Remus.

Het van de goden afkomstige imperium omvatte een wetgevende, een rechtsprekende en een uitvoerende macht, de moderne driemachtenleer ons wel bekend sinds de introductie van de trias politica door Montesquieu. In het recht der Romeinse burgers, het ius civile, speelde uitleg, interpretatio, een belangrijke rol en dit zou de voedingsbodem zijn voor het gehele Westerse rechtsdenken, tot ons gekomen via het Corpus Iuris Civilis van keizer Justinianus (527-565). Het was deze keizer die het volk één christelijk geloof wilde opleggen.

Erfrecht

Erfrecht is zo oud als de mens zelf. Volgens de christelijke dogmatiek is het ‘erfrecht’ (of liever de ‘erfplicht’) ontstaan in het paradijs, waar de ‘onzedelijke’ handelingen van Adam ervoor zouden hebben gezorgd dat de zoon de erfgenaam is van de zonden van de vader. De zogenoemde ‘erfzonde’.

De structuren van het romeinse rijk en de erfenis van keizer Justinianus leefden vooral voort in de christelijke kerk, die in Europa dominant zou worden. Vanaf de vierde eeuw en met name vanaf de elfde eeuw van de gewone jaartelling, hebben de clerici getracht het recht te humaniseren en de eigen positie (i.e. die van de christelijke kerk) te versterken, onder meer door het promoten van het testament.

De clericus of klerk als hervormer van recht. We hebben het dan over het canoniek recht, dat via de kerkelijke rechtbanken een zeer grote invloed had op onder meer het huwelijksrecht, familierecht en erfrecht.

De Bourgondische erfenis

Op 24 februari 1500 wordt in Gent Karel V geboren, zoon van Johanna van Castilië en Filips van Bourgondië, later heer der Nederlanden en (Habsburgse) keizer van het Heilige Roomse Rijk. Door Karels besluit op 26 juni 1548 om al diens bezittingen in de Nederlanden als ‘Bourgondische Kreits’ aaneen te voegen, werd de voedingsbodem gelegd voor het latere Nederland en België.

Het was Karel V die op 21 maart 1524 kwam met een wettelijke regeling voor het uitoefenen van het notarisambt, nadat was gebleken dat er notarissen waren die niet capabel waren voor de uitoefening van het ambt. Exameneisen, het houden van een protocol en het instellen van toezicht maken het notariaat eerbaar. Een broeiend sentiment zou in 1568 leiden tot de Tachtigjarige Oorlog en tot een wijziging van onze staatsinrichting: de geboorte van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden.

Gradum altiorem

Stond de clericus aan de bakermat van canonieke rechtshervormingen, evenzo onmisbaar is hij bij de verdere ontwikkeling van het notariaat. Weinig populair was het vak en bepaald geen vetpot. ‘Recruiters’ onder republikeinse vlag poogden meer animo te kweken voor het beroep van notaris onder de aanbeveling dat alle daartoe vereiste formaliteiten – de vergunning, examengeld en ‘brieven van creatie en admissie’ - tezamen nog geen honderd gulden bedroegen.

De studie werd voor een belangrijk deel gekozen door hen die geen universitaire studie konden bekostigen, onder wie veel notarisklerken. Deze notaris-geworden notarisklerken verhieven het notariaat in de 17e en 18e eeuw tot een niveau waarop men zich kon meten met de ‘klasse der advocaten, rechters en artsen’, alle ontberingen hen welgevallen.

Le petit homme

Op 5 juni 1806 wordt Lodewijk Napoleon Bonaparte, de jongere broer van de keizer, aangesteld als eerste koning van Holland. Dit volgt op het kortstondig bestaan van de Bataafse Republiek sinds 1795.

In de wetgeving onder Napoleon – de Ventôsewet van 16 maart 1803, bij keizerlijk decreet ingevoerd per 1 januari 1811 – kreeg het huidige Latijnse notariaat zijn definitieve vorm. Notarissen werden ambtenaar, het examen werd facultatief gesteld, akten kregen executoriale kracht en het toezicht werd opgedragen aan de Kamers van Notarissen. In de landen die buiten de Franse invloedsfeer zijn gebleven bestaat geen notariaat zoals wij dat kennen.

Op 16 oktober 1842 werd de Wet op het notarisambt ingevoerd, die tot oktober 1999 onverlet zou gelden. In 1848 is de Koninklijke Notariële (toen nog) Broederschap (KNB) opgericht en in 1904 werd een staatsexamen ingevoerd. Pas in 1958 wordt een universitaire studie ingevoerd en een met goed gevolg afgelegd doctoraalexamen rechten voorwaardelijk gesteld voor toelating tot de notariële stand.

Hulde aan de Stichting Opleiding Medewerkers in het Notariaat ter ere van dier 50-jarig bestaan. Waar zou het notariaat anno 2022 staan zonder goed opgeleide Notarisklerken en notarieel medewerkers?

Een persoonlijke noot

In geraadpleegde literatuur lees ik “(…) zooals in Friesland, waar de notarissen gezamenlijk hardnekkig weigerden zich aan de voorschriften in zake het houden van een protocol te onderwerpen (…)”. Dit hebben de Friezen niet korter dan twee eeuwen lang volgehouden. U begrijpt dat dit soort verzet grijnzend appelleert aan mijn chauvinisme als geboren Fries.

Hoe eeuwig zonde is het dat de op een na oudste universiteit die ons land rijk was, de Universiteit van Franeker, haar deuren geopend hebbende op 29 juli 1585, haar laatste adem uitblies in 1811 en zulks onder het bewind van le petit frère du petit homme.

Een van mijn verre voorvaderen, dr. iur. Suffridus Saarda (1573-1626), advocaat aan het Hof van Friesland in de periode tussen 1610 en 1626, promoveerde aan deze universiteit. Tijdens zijn studie legde hij een zogenoemd album amicorum aan; een vriendenboek waaraan hoogleraren en medestudenten indertijd bijdragen leverden. Het is nog te raadplegen bij Tresoar – de ‘Schatkamer van Fryslân’.