· Klaas Zondervan · Column in De Notarisklerk
Een veelgehoorde uitspraak die minnelijk verwijst naar de Zusters Kanunnikessen van de Heilige Augustinus in Vught, bij wie men decennialang op efficiënte wijze zich een vreemde taal meester kon maken.
Elke vogel zingt echter zijn lied, zo beoogt ‘Midden in de winternacht’ in ons verheugenis op stralend licht en een gevoel van medemenselijkheid te stichten.
Een ander lied gezongen
‘Liefdegesticht’. Zo werd onder meer het klooster ‘De Goede Herder’ te Rheden – dat van 1892 tot 1973 dienst had als opvangtehuis voor katholieke meisjes – aangeduid.
De zusters ‘ontfermden’ zich in die periode over ‘gevallen meisjes’ (zogenoemde ‘penitenten’) die een buitenechtelijk kind hadden gekregen of in aanraking waren gekomen met justitie en over katholieke weesmeisjes. Ook meisjes die thuis werden verwaarloosd of misbruikt mochten zich gelukkig prijzen met de nimmer aflatende liefde van de Rooms-Katholieke Kerk. Ontdaan van bezittingen, kleding en waardigheid werden de duizenden alsnu in zwarte jurken gestoken zieltjes onder het dwingend oog van de zusters blootgesteld aan ‘louterende’ (dwang)arbeid in wasserijen en naaiateliers, 'liefdevolle boetedoening’ ten bate van kerk en maatschappij; een zalig en traumatiserend verdienmodel. Onder de opdrachtgevers van de firma bevonden zich rechtsfiguren als C&A, Vroom en Dreesmann, confectiebedrijf Stork/Ten Cate in Almelo en naar verluidt zelfs ons Koninklijk Huis.
Verkracht door de rector
Liefdegestichten van de Zusters van de Goede Herder. In deze door de overheid erkende residentiële jeugdinstellingen – met franchises in Almelo, Tilburg en Zoeterwoude – werden tussen 1860 en 1979 niet minder dan 15.000 kinderen opgesloten in de uitvoering van een door de kinderrechter bevolen maatregel, die werd opgelegd zonder de kinderen te horen. Ook werden kinderen op verzoek van ouder of voogd gedetineerd. De overheid, meer specifiek de Raad voor de Kinderbescherming is hierbij ernstig tekortgeschoten.
[Bron: archief]
De meisjes, variërend in leeftijd van ongeveer 11 tot 21 jaar [het levensjaar waarin ze het klooster verlieten], werden stelselmatig geestelijk en lichamelijk mishandeld door de nonnen, met als schrijnende voorbeelden opsluiting in een isoleercel waar op dat moment een kort daarvoor overleden non lag opgebaard, verkrachting door de rector en gedwongen abortus. Er mocht niet worden gesproken, de kinderen verloren hun naam. Onderlinge vriendschappen waren uit den boze en cadeautjes hen gegeven werden afgepakt, net als geld en kleding. Kaarten en brieven van familieleden en vrienden werden niet ongecensureerd aan hen doorgegeven. Een dagenlang verblijf in een ‘strafkamer’ was geen uitzondering en voor onderwijs en sociale ontwikkeling was plaats noch tijd.
Ne bis in idem
Volgens hoogleraar prof. dr. Paul Schnabel lijden de inmiddels volwassen geworden onderdanen aan een posttraumatisch stresssyndroom (PTSS). “De pupillen van de Goede Herder hebben jaren geleefd in een situatie die bewust traumatiseerde om volgzaamheid af te dwingen…” [Bron: Letselschade.nu, NRC]
We kunnen gerust stellen dat overeenkomstige toepassing van het ne bis in idem-beginsel hier op zijn plaats zou zijn [internering in de kindertijd was ‘straf’ genoeg voor een non-existent feit], met het belangrijke verschil dat hier geen sprake is van dubbel straffen voor hetzelfde ‘feit’, maar van oneindig vaak straffen; de kinderen van toen zijn immers voorgoed beschadigd en beleven de gruwelijkheden nog iedere dag opnieuw.
De ‘Doodenlijst'
Het harde strafregime, slechte voeding en gebrekkige medische zorg waren medeverantwoordelijk voor de honderden meisjes en vrouwen die in het gesticht stierven.
De ‘Doodenlijst der bijzondere begraafplaats’ maakt melding van 214 sterfgevallen in Velp (gemeente Rheden), van wie 80 minderjarig.
Zij kijken verslagen toe vanuit de stilte en vergapen zich aan het leven dat aan hen is voorbijgegaan. Voor sterven is hier geen plaats en tijd.
[Bron: HetGeheugen, Delpher]
De casus
Van een van onze vaste opdrachtgevers komt een casus waarin onderzoek moet worden verricht in Nederland, België en Duitsland. Daar zijn we uiteraard weer blij mee.
Tijdens het onderzoek stuiten wij op het spoor van Elisabeth Catharina Bellaard (1918-), een meisje van 19 jaar oud toen zij in 1937 vanuit de St. Annastichting te Den Haag werd overgedragen aan de nonnen van ‘De Goede Herder’ in Velp, Rheden, door de scheiding van haar ouders terechtgekomen in het ‘zorgsysteem’. Zij keert terug naar Den Haag in 1938, een ervaring rijker, haar onschuld armer. Deze column draag ik op aan haar.
Ik wens u fijne feestdagen een voorspoedig 2021!